Aal is geen paling.

De letterlijke betekenis is biologisch gezien eenvoudig: ‘Aal is ‘wel’ paling.’
Het zijn twee namen voor exact dezelfde vissoort (‘Anguilla anguilla’).
De figuurlijke betekenis van het gezegde is echter subtieler en wordt op twee manieren gebruikt:
1. Kwaliteitsverschil:
Het wordt vaak gebruikt om een onderscheid in kwaliteit of toestand aan te geven. In de visserij en de handel wordt de term ‘paling’ vaak gereserveerd voor de volwassen, vette vis die klaar is voor consumptie (gerookt of gebakken). ‘Aal’ wordt dan soms gebruikt voor de dunnere, nog niet geslachtsrijpe vis. Het gezegde betekent dan:
“Het ene is het andere niet, ook al lijken ze op elkaar.” Het benadrukt dat een inferieur product niet zomaar gelijkgesteld kan worden aan het superieure product.
2. Onterecht onderscheid:
Het kan ook ironisch gebruikt worden om aan te geven dat iemand een onnodig of onjuist onderscheid maakt tussen twee zaken die feitelijk hetzelfde zijn.
🌍 Oorsprong:
De oorsprong van het gezegde ligt in de taalvariatie en de visserijcultuur van de Lage Landen.
– Regionaal:
Historisch gezien was ‘aal’ het algemene woord in de noordelijke en oostelijke Nederlanden, terwijl ‘paling’ meer in het westen en zuiden werd gebruikt.
– Visserijpraktijk:
Zoals hierboven vermeld, introduceerden vissers en handelaren een functioneel onderscheid gebaseerd op de levensfase en de vetmassa van de vis. Een vette, volwassen vis bracht meer op en werd ‘paling’ genoemd, terwijl de dunnere vis ‘aal’ bleef. Het gezegde ontstond waarschijnlijk als een reactie op deze praktijk, ofwel om het kwaliteitsverschil te benadrukken, ofwel om te spotten met het gemaakte onderscheid.
✍️ Auteur:
Het gezegde “Aal is geen paling” heeft ‘geen specifieke auteur’. Het is een volksuitdrukking die organisch is ontstaan in de Nederlandse taal en cultuur, waarschijnlijk in de 19e eeuw of eerder, voortkomend uit de dagelijkse praktijk van vissers en vishandelaren. Het is een voorbeeld van ‘oral history’ die in de taal is gesleten.
– (Noot: Hoewel de uitdrukking zelf geen auteur heeft, is de vastlegging en analyse ervan in de Nederlandse taalwetenschap onlosmakelijk verbonden met de autoriteit P.J. Kruizinga en zijn werk “Spreekwoorden en gezegden”.)
Hij is zo lui, dat men hem wel uit de benen zou schudden.

Dit gezegde wordt gebruikt om de extreme luiheid van iemand te benadrukken. Het suggereert dat de persoon zo weinig doet en zo passief is, dat het lijkt alsof hij zelfs te lui is om te blijven staan. De enige manier om hem in beweging te krijgen, zou zijn door hem letterlijk door elkaar te schudden, zodat zijn benen eronderuit vallen en hij gedwongen wordt om te bewegen of op te staan. Het is een hyperbolische uitdrukking om iemand als hopeloos lui te bestempelen.
Oorsprong:
De ‘exacte oorsprong van dit specifieke gezegde is moeilijk te achterhalen’. Het is waarschijnlijk ontstaan als een ‘volkse, spottende uitdrukking’ in de Nederlandse taal. Veel gezegden en spreekwoorden hebben hun wortels in het dagelijks leven en de observatie van menselijk gedrag. De beeldspraak van het ‘uit de benen schudden’ is een levendige en ietwat komische manier om luiheid te beschrijven. Het is een uitdrukking die door de eeuwen heen in de volksmond is overgeleverd en gebruikt.
Auteur:
Er is ‘geen specifieke auteur bekend’ die dit gezegde heeft bedacht. Het is een voorbeeld van orale traditie en volkswijsheid, die van generatie op generatie is doorgegeven. Het maakt deel uit van de rijke schat aan Nederlandse spreekwoorden en gezegden, waarvan de meesten geen individuele bedenker hebben, maar collectief zijn ontstaan.
Bron: Prisma spreekwoordenboek – G. A. Mesters.
Men kan nooit weten waar de aal kruipt.

Het gaat wonderlijk toe in de wereld — men weet nooit van tevoren waar zijn geluk of fortuin ligt. Het is dus geen uitspraak over een sluw of ondoorgrondelijk persoon, maar over de onvoorspelbaarheid van het lot zelf:
Succes of een buitenkansje kan zich op de meest onverwachte plek voordoen, dus het loont om ook daar te blijven zoeken waar je het niet meteen zou verwachten.
Oorsprong:
Het beeld komt van de aal als een dier dat zich overal kan verschuilen of naartoe kan bewegen — nooit is met zekerheid te zeggen waar hij zit. Guido Gezelle vatte diezelfde gedachte kernachtig samen met: “Wie weet waar men paling vangt, zei Pa, en hij zette zijn fuike in een wagenslag.”
Een wagenspoor is de laatst voor de hand liggende plek om een aal te vangen — en toch zet de vader er zijn fuik neer, omdat je het geluk (net als de aal) nooit kunt voorspellen. Dezelfde zegswijze is, volgens Ter Laan, ook in Groningen bekend, wat wijst op een bredere, landelijke verspreiding van dit type spreekwoord.
Auteur:
De uitdrukking zelf is anoniem volksgoed, zoals de meeste spreekwoorden. Genoteerd en van deze betekenisomschrijving voorzien is ze door K. ter Laan, in zijn standaardwerk “Nederlandse spreekwoorden, spreuken en zegswijzen” (1950). Ter Laan (1871–1963) was Groninger taalkundige, politicus en folklorist; hij was de verzamelaar en registrator van dit gezegde, niet de bedenker ervan.
Koop ik huizen, dan heb ik steen; koop ik vleesch, dan heb ik been; doch koop ik van dit edele nat, dan heb ik wat, zei Pieter Sloköp.

Dit is een oud Nederlands spreekwoord, opgetekend in het beroemde “Spreekwoordenboek der Nederlandsche taal” van P. J. Harrebomée.
De betekenis is tweeledig, met een humoristische en een ietwat cynische ondertoon:
1. ‘De Onvermijdelijkheid van ‘Bijproducten’:
Het gezegde illustreert dat je bij veel aankopen onvermijdelijk ook iets krijgt wat je eigenlijk niet wilt of wat minder waardevol is. Als je een huis koopt, koop je ook de stenen (die je niet kunt eten of direct gebruiken). Als je vlees koopt, zit er vaak bot in. Maar als je jenever (het “edele nat”) koopt, krijg je precies wat je wilt: de drank zelf, zonder ‘afval’.
2. De Prioriteiten van de Drinker:
De fictieve “Pieter Sloköp” (een naam die al duidt op een gulzige drinker) relativeert de nadelen van andere aankopen om zijn eigen voorkeur te rechtvaardigen. Voor hem is de drank de enige aankoop die “puur” is en direct voldoening geeft, zonder ongewenste extra’s. Het is een humoristische manier om te zeggen dat een goed glas jenever de moeite waard is, ondanks de kosten.
Oorsprong en Auteur:
Het gezegde wordt ‘niet toegeschreven aan een specifieke historische figuur.’ De naam “Pieter Sloköp” is een typische volksnaam voor een dronkaard, vergelijkbaar met “Jan Rap” of “Piet Snot”.
Het is een volksgezegde dat waarschijnlijk in de 17e of 18e eeuw is ontstaan, een tijd waarin jenever een zeer populaire en goedkope drank was in Nederland. P. J. Harrebomée heeft het in de 19e eeuw verzameld en opgenomen in zijn monumentale spreekwoordenboek, waardoor het voor het nageslacht bewaard is gebleven.
Wie A zegt moet ook B zeggen.

‘Als iemand een stelling ‘begint’ of een ‘verplichting/keuze’ maakt (A), moet hij of zij die ‘ook afmaken’ of ‘consequent doorzetten’ (B)’.
– Kort gezegd:
‘Je kunt niet alleen een deel doen; je moet je belofte of redenering volledig volgen.’
– Voorbeelden (bedoeling):
– Iemand zegt dat hij helpt bij een project → dan moet hij ‘ook echt helpen’.
– Iemand stelt een regel of principe voor → dan moet hij die ‘ook toepassen’.
🧠 Oorsprong / Herkomst:
– Het is een ‘wijdverbreid Nederlands spreekwoord’ dat hoort bij de categorie “consequentie” of “logische trouw”.
– ‘A en B’ zijn in de uitspraak ‘placeholder-letters’:
– ‘A’ = wat je eerst zegt/aanvangt
– ‘B’ = wat je er logisch of moreel aan moet vastknopen
– ‘Er is niet één duidelijk, historisch “bewijsbare” oorsprong’ met een vaste auteur zoals bij sommige oude citaten. Het spreekwoord is eerder ‘geleidelijk ingeburgerd’ binnen het Nederlandse taalgebruik, mede doordat het zo logisch is.
👤 Auteur:
– Er is ‘geen algemeen erkende specifieke auteur’ die dit gezegde “verzonnen” zou hebben.
– Het wordt beschouwd als een ‘anoniem of spreekwoordelijk’ gezegde (dus: ontstaan door gebruik in plaats van door één maker).
🌍 Vergelijkbare gezegden bestaan in meerdere talen, bv. het idee van “als je begint, moet je ook afmaken” of “wie één ding zegt, moet het consequent blijven volgen”.
Van de aal vreten.

Slaag krijgen, dus een pak rammel. Stoett behandelt het onder lemma 2221, “Van de taart krijgen”. Daar noemt hij ook “iemand van de taart geven” als tegenhanger.
Oorsprong:
Stoett geeft, voor zover ik zijn tekst kon inzien, geen verklaring van het beeld zelf. Wel documenteert hij de ontwikkeling van de uitdrukking:
– 17e eeuw:
“van de aal vreten”, met als bron het Kluchtspel II, 189.
– 18e eeuw:
“van de taart eten” en “van de taart vreten”, te vinden in het Boere-krakeel, blz. 73.
– Beeld:
slaag wordt voorgesteld als iets wat je te eten krijgt. Vergelijkbare gezegden noemt hij uit Limburg (van de noten), het Hageland (van de pan), Oost-Friesland (uit de pan) en Antwerpen (zure saus over de patatten). Ook noemt hij “van de kaas krijgen” bij Harrebomée.
Hoe de aal in het 17e-eeuwse gezegde precies past, heb ik niet kunnen vinden.
Auteur: Dr. F.A. Stoett (1863-1943),
hoogleraar Nederlandse taal- en letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam.
– Werk: “Nederlandsche spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden.”
De eerste druk verscheen in 1901/1902. De tekst die ik raadpleegde is de vierde druk (W.J. Thieme & Cie, Zutphen, 1923-1925).
– Lemma: nr. 2221. Paginanummer 339.
Hij heeft eenen gladden aal (of: paling) bij den staart.

Dit is een oud Nederlands gezegde dat duidt op een situatie waarin iemand probeert grip te krijgen op iets of iemand die uiterst ongrijpbaar, sluw of moeilijk vast te houden is. Een aal (paling) is van nature zeer glad door een slijmlaag en laat zich nauwelijks bij de staart vastpakken zonder weg te glippen.
De figuurlijke betekenis is dan ook:
– Een hopeloze of zeer moeilijke taak uitvoeren.
– Proberen iemand te vangen of te overtuigen die erg slim, listig of ontwijkend is.
– Geconfronteerd worden met een situatie die voortdurend verandert en moeilijk te beheersen is.
🔍 Oorsprong en Auteur:
De oorsprong van dit gezegde ligt in de volkstaal en de dagelijkse observaties van vissers en mensen die met aal werkten. Het is een beeldspraak die voortkomt uit de fysieke werkelijkheid van het vangen en hanteren van deze gladde vissen.
Het gezegde is al eeuwenoud en werd al in de 16e en 17e eeuw gebruikt in Nederland. Een specifieke auteur is niet aan te wijzen, aangezien dit soort spreekwoorden organisch ontstaat in de taal en cultuur. Het is een anonieme, collectieve uitdrukking van een algemeen bekende ervaring.
Gebroken beenen en eerbare vrouwen Moeten stoel en kamer houën (of: moeten het huis bewaren).

Dit is een oud Nederlands spreekwoord dat een duidelijke maatschappelijke norm uit het verleden weerspiegelt.
De betekenis is tweeledig en berust op een vergelijking:
1. Letterlijk (Fysiek):
Iemand met een gebroken been is fysiek beperkt en ‘kan’ niet anders dan thuisblijven (de kamer houden) om te herstellen.
2. Figuurlijk (Moreel):
Een “eerbare vrouw” (een deugdzame, fatsoenlijke vrouw) ‘behoort’ volgens de toenmalige normen thuis te blijven om voor het huishouden te zorgen.
De kernboodschap:
Net zoals een gebroken been je dwingt tot rust en thuisblijven, zo dwingt de eerbaarheid (deugdzaamheid) een vrouw tot huiselijkheid.
Het suggereert dat een deugdzame vrouw niet onnodig op straat rondhangt, maar haar plaats kent in het private domein van het huis.
🕰️ Oorsprong en Context:
Tijdperk:
Dit spreekwoord stamt uit de 17e eeuw (de Gouden Eeuw) en was in de eeuwen daarna nog steeds gangbaar.
Maatschappelijke Normen:
In die tijd was de rolverdeling strikt. De man werkte buitenshuis (het publieke domein), terwijl de vrouw verantwoordelijk was voor het huishouden en de opvoeding (het private domein). Een vrouw die veel buiten te zien was, kon worden gezien als ijdel, roddelziek of erger.
Auteur:
De belangrijkste bron voor dit spreekwoord is Jacob Cats (1577-1660). Hij was een zeer populaire dichter en moralist wiens werken in bijna elk Nederlands huishouden te vinden waren. Cats schreef veel over huwelijk, moraal en de “juiste” manier van leven, waarbij hij vaak dit soort huiselijke deugden predikte. De verwijzing “Cats bl. 468, 500” in de bron bevestigt dit.
📚 Bronnenvermelding (Harrebomée):
De genoemde bron, “Spreekwoordenboek der Nederlandse taal” door P.J. Harrebomée (gepubliceerd in het midden van de 19e eeuw), is een monumentaal verzamelwerk. De lijst met namen (Cats, v.d.Venne, de Brune, Tuinman, Folie, Modderman) zijn eerdere spreekwoordenverzamelaars of auteurs bij wie Harrebomée dit spreekwoord heeft aangetroffen, wat de ouderdom en verspreiding ervan aantoont.
Het zal afvallen, wanneer gij de beenen onder eens anders tafel steekt.

Dit gezegde betekent letterlijk dat je waarschijnlijk minder zult eten (en dus zult afvallen) als je bij iemand anders aan tafel eet. De figuurlijke betekenis is dat je, wanneer je te gast bent bij een ander, je bescheidener en gereserveerder moet gedragen. Je neemt niet zomaar alles wat je wilt, en je past je aan de regels en de gastvrijheid van de gastheer aan. Het impliceert een zekere mate van afhankelijkheid en de noodzaak om je aan te passen.
Oorsprong:
De oorsprong van dit gezegde ligt in de tijd dat mensen vaak bij anderen te gast waren voor maaltijden, vooral in tijden van schaarste of wanneer men op reis was. Het weerspiegelt de sociale normen van gastvrijheid en de verwachting dat een gast zich niet te buiten gaat aan het eten van de gastheer. Het is een oud Nederlands gezegde dat de noodzaak van bescheidenheid benadrukt.
Auteur:
Er is ‘geen specifieke auteur bekend’ voor dit gezegde. Het is een ‘volkswijsheid’ die door de eeuwen heen is doorgegeven en deel is gaan uitmaken van de Nederlandse taal.
Ik wilde wel, dat ik een harddraver was, zei Knelis, en zijne beenen waren afgezet.

Een harddraver is een paard dat snel draaft (of figuurlijk iemand die hard loopt). Met “afgezet” wordt hier “geamputeerd” bedoeld, want in het oudere Nederlands was “een been afzetten” gewoon amputeren. Knelis (een verkorting van Cornelis) wenst dus dat hij snel kan lopen, terwijl hij juist geen benen meer heeft. Het gezegde wordt gebruikt voor iemand die iets wenst wat volstrekt buiten zijn bereik ligt, en met name iets waarvoor hij de allereerste voorwaarde mist. De grap zit in het contrast tussen de wens en de toestand van de wenser. Het gebruik is dus ironisch of spottend.
Vorm:
Het gezegde heeft de vorm van een ‘wellerisme’: Een uitspraak, gevolgd door “zei X” en een komische of ironische omstandigheid. Harrebomée bevat er honderden van (“zei de man, en hij…”). De naam komt van Sam Weller in Dickens’ “Pickwick Papers”, maar het genre is veel ouder en ook in Nederland al eeuwenlang gangbaar. Namen als Knelis, Jan of Klaas dienen daarin als algemene volksfiguren.
Oorsprong en auteur:
‘Er is geen individuele auteur.’
Het is volkswijsheid en de oorspronkelijke bedenker is onbekend. Pieter Jacob Harrebomée (1809-1880) was de verzamelaar. Hij schreef zelf niet de spreekwoorden, maar bracht ze bijeen in zijn “Spreekwoordenboek der Nederlandsche taal” (3 delen, Utrecht 1858-1870). Zijn bronnen waren oudere spreekwoordenverzamelingen, literaire teksten en mondelinge overlevering.
Zoek geen vijf poten aan een schaap.

‘Zoek niet naar problemen of tekortkomingen waar ze niet zijn, en eis niets wat onmogelijk is’.
Een schaap heeft vier poten, dus wie er een vijfde aan zoekt, zoekt iets wat er niet kan zijn. Woordenbron omschrijft het als proberen iets onmogelijks te bereiken. Spreekwoorden.nl geeft voor de variant “hij wil vijf poten aan een schaap hebben” dat iemand niet tevreden is met wat hij heeft gekregen. Het ANW (Algemeen Nederlands Woordenboek) kent de verwante uitdrukking “een schaap met vijf poten (vragen of verlangen)”:
Een ideaal of eisenpakket waaraan niemand kan voldoen.
Oorsprong:
Een aantoonbare oorsprong of oudste vindplaats is niet gevonden. Het beeld is eenvoudig:
‘Een schaap heeft vier poten, en een vijfde bestaat niet.’
Auteur: ‘Onbekend.’
Het is een ‘volksgezegde’ en dus niet aan één bedenker toe te schrijven.
G.A. Mesters is de samensteller van het Prisma Spreekwoordenboek waarin het staat, en niet de bedenker van het gezegde.
Zoek geene drie beenen aan eene kat.

‘Zoek geen moeilijkheden, onmogelijke verklaringen of iets wat er niet is’.
– In moderne bewoordingen komt het neer op:
‘Ga niet overmatig zoeken naar een fout, een smoes of iets verdachts waar geen reden voor is’.
– Het gezegde speelt met het idee dat een kat ‘natuurlijk vier poten heeft’; ‘drie benen zoeken aan een kat’ is dus nutteloos of absurd.
Oorsprong 📚:
– Bron: P. J. Harrebomée, effectief naar Petrus Jacobus Harrebomée, de samensteller van het “Spreekwoordenboek der Nederlandse taal”.
– Dit werk is een belangrijke 19e-eeuwse verzameling van Nederlandse spreekwoorden en gesprokenen.
– De aanduiding “geene” en “eene” wijst op ‘ouder Nederlands’; de mogelijke zelf is dus ouder dan de moderne spelling.
Auteur ✍️:
– Van dit gezegde is ‘geen individuele “auteur” bekend’ in de letterkundige zin.
– Het is een volksgezegde:
Ontstaan in de spreektaal en later opgetekend door Harrebomée.
Korte parafrase in modern Nederlands 🗣️
– “Zoek niet naar problemen die er niet zijn.”
– “Maak iets eenvoudigs niet onnodig ingewikkeld.”
Wacht je voor degenen, die van de natuur geteekend zijn, zei Willem Spek, en hij zelf zag scheel, had kromme beenen en een’ scheeven mond.

Het waarschuwt tegen mensen die anderen bekritiseren of veroordelen om gebreken (in dit geval fysieke ’tekenen’ van de natuur) die ze ‘zelf’ in nog sterkere mate bezitten. Het is de ultieme illustratie van de splinter in de vinger van een ander zien, maar de balk in je eigen oog negeren.
Dit gezegde is een klassiek voorbeeld van extreme hypocrisie en een gebrek aan zelfbewustzijn.
Oorsprong:
De oorsprong ligt in de volksmond en oude opvattingen over fysiognomie (de leer dat uiterlijke kenmerken iets zeggen over het karakter). ‘Getekend zijn door de natuur’ werd vroeger vaak geassocieerd met een ongelukkig lot of zelfs een slecht karakter. De ironie in dit specifieke gezegde ontstaat doordat de spreker, Willem Spek, zelf ‘zwaar’ getekend is door de natuur (scheel, kromme benen, scheve mond), maar desondanks anderen waarschuwt voor zulke mensen. Het gezegde drijft de spot met zijn blindheid voor zijn eigen toestand en zijn arrogantie om anderen te beoordelen.
Bron: P. J. Harrebomée – “Spreekwoordenboek der Nederlandse taal” (Folie II. 46).
Auteur:
De toeschrijving aan ‘Willem Spek’ is waarschijnlijk folkloristisch of een voorbeeldnaam binnen de context van het spreekwoordenboek, eerder dan een historisch traceerbare auteur van de specifieke uitspraak. Harrebomée documenteerde het als een bestaand volksgezegde.
Als hij een paar roode kousen aan de beenen en eene pijp lak in den mond had, geleek hij juist een’ ooijevaar.

Dit zijn enkele van de punten die u hier kunt vinden:
‘een lang, mager persoon met dunne benen.’
Uit Vergelijken werkt zo:
– ‘Rode kousen aan de beenen’:
→ je kunt de rode/oranje benen zien
– ‘Een pijp lak in den mond’
→ een stok(je) reed zegellak in de mond zou de rode snavel van de oievaar nabootsen
Met andere woorden:
‘als iemand van nature alange, magere benen heeft (en daar rode kousen omheen zou trekken, plus iets roods en zijn mond zou houden), zou hij sprekend op een ooievaar lijken.’
Het is een humoristische, licht spottende typering van een tenger, hooggebouwde persoon — soortgelijke met hedendaagse symptomen als “een spriet” of “zo mager als een lat”.
Herkomst als auteur:
De uitdrukking komt uit het “Spreekwoordenboek der Nederlandsche taal” van Pieter Jacob Harrebomée (1809–1880), een Nederlandse predikant en taalkundige. Zijn spreekwoordenboek, verschenen in drie delen (1858–1870), is een van de omvangrijkste verzamelingen van Nederlandse spreekwoorden, gezegden en uitdrukkingen ooit samengesteld. Harrebomée was echter niet de bedenker van dit gezegde zelf — hij verzamelde en gedocumenteerde bestaande uit volkstaal-uitdrukkingen uit zijn tijd (en eerder), vaak met bronvermelding en toelichting. De ooievaar-vergelijking zelf was grotendeels gebruikelijk spreektaal om een magere, langbenige persoon spottend te beschrijven.
Hij zou drie mannen zeven armen (of: twee mannen vijf armen) dreigen af te slaan.

Het is een spottende, overdreven uitdrukking voor een opschepper of bluffer — iemand die zich groot houdt, dreigt en snoeft, maar wiens dreigementen bespottelijk overtrokken zijn.
Het venijn zit hem juist in de kromme rekensom:
‘drie mannen hebben normaal zés armen, geen zeven; twee mannen hebben er vier, geen vijf.’
Die ene arm te veel maakt de dreiging opzettelijk absurd en onmogelijk — je kunt geen niet-bestaande arm afslaan.
Zo ontmaskert het gezegde zelf al dat het loze praat is:
een “snoefhaan” (bluffer) die harder blaft dan hij bijt. Het hoort thuis in een hele reeks vergelijkbare 17e/18e-eeuwse uitdrukkingen over grootsprekers, zoals Tuinman er in hetzelfde hoofdstuk meer geeft: “blazers bijten niet”, “hij spreekt op ’t mes”, “pochen en broekbevuilen is geen konst” enzovoort — allemaal typeringen van iemand die wel dreigt te vechten, maar het niet meent of niet kan waarmaken.
Oorsprong en auteur:
Dit gezegde staat inderdaad in Carolus Tuinmans “De oorsprong en uitlegging van dagelyks gebruikte Nederduitsche spreekwoorden” (1720er jaren), Deel I, hoofdstuk XXI: “Spreekwoorden van gekken, snoefshaanen, en vechters” , blz. 214 — precies de bron die Harrebomée aanhaalt. Daar staat het onder het lemma “Houd den man; hy wil vechten”:
> Dat zegt men schertsende van iemand die veel snorkerijen en bravaden maakt, alsof hij drie man zeven armen wilde afslaan, en iemand de blaas breken.
Het is ‘geen gezegde met een aanwijsbare individuele auteur of ontstaansmoment’ — het behoort tot de volkstaal van bravoure- en vechtjasuitdrukkingen die in de 17e en vroege 18e eeuw gangbaar waren. De vroegste schriftelijke vastlegging die wordt citeert komt van:
– Carolus Tuinman (1659–1728), predikant en taalkundige, die het optekende en toelichtte in zijn spreekwoordenverklaring uit de jaren 1720.
– Harrebomée nam het decennia later over in zijn “Spreekwoordenboek der Nederlandsche taal” (1858–1870) en verwijst zelf weer terug naar oudere bronnen:
Tuinman, Sartorius’ spreekwoordenverzameling, en twee 17e-eeuwse werken (“Euphonia” en de uitgave van Van Waesberge, getiteld “Wijn”) — wat aangeeft dat de uitdrukking toen al enige tijd in omloop was voordat Tuinman haar optekende.
Kortom:
geen “auteur” in de zin van een bedenker, maar wel een goed gedocumenteerde keten van vroegmoderne spreekwoordenverzamelaars die de zegswijze voor het nageslacht hebben vastgelegd, met Tuinman als vroegste en meest uitgebreide toelichter.
Het smaakt als een oud wijf onder den arm.

“Het smaakt als een oud wijf onder den arm” is een (nogal grof) zegswijze om aan te geven dat iets ‘muf, verschaald of onaangenaam ranzig smaakt’ — een zure, bedorven smaak, zoals je die associeert met bezweet, ranzig lichaamsgeur onder de oksel van een oude vrouw. Het wordt gebruikt voor eten of drinken dat over de datum, verschaald of anderszins onsmakelijk is: iets dat niet fris is, maar een vieze, “oude” bijsmaak heeft.
Vergelijkbare Harrebomée-vermeldingen, zoals “Hij heeft een smaak in zijn mond als een oud wijf”, bevestigen dat “smaak als een oud wijf (onder den arm)” in de 16e-19e eeuw een vaste beeldspraak was voor een onfrisse, weerzinwekkende smaak — met de oksel als bron van de vergelijking (lichaamsgeur, zweet, bedorvenheid).
Herkomst en auteur:
Er is ‘geen individuele auteur’ aan te wijzen — het is een ‘volksspreekwoord’, en Harrebomée is slechts de ‘verzamelaar’, niet de bedenker. Zijn “Spreekwoordenboek der Nederlandsche taal” (1858-1870) is juist beroemd omdat hij systematisch oudere bronnen napluisde en excerpeerde. De twee bronvermeldingen die worden genoemd wijzen dat ook uit:
– Campen:
verwijst naar de “Kamper Spreekwoorden” (ook wel “Proverbia Communia”), een van de oudste gedrukte Nederlandse spreekwoordenverzamelingen, uitgegeven door Warnersen te Kampen in 1550. Harrebomée gebruikte dit boekje veelvuldig als bron en nam veel van de erin verzamelde volksspreekwoorden (soms in gemoderniseerde spelling) over in zijn eigen werk.
– Sartorius tert. IV. 36:
verwijst naar Joannes Sartorius (Jan Zaal/Snijder), een 16e-eeuwse Nederlandse humanist die een tweetalige (Latijn-Nederlandse) verzameling adagia/spreekwoorden publiceerde (“Adagiorum Chiliades”, eerste druk 1561), geordend in “centuriën” (honderdtallen). “Tert.” staat voor “tertia centuria” (de derde honderd), en “IV. 36” verwijst naar het vierde boek, spreekwoord nummer 36 in die telling.
Dat het zowel bij Campen (1550) als bij Sartorius (1561) voorkomt, laat zien dat de uitdrukking al in het midden van de 16e eeuw gangbaar volksgoed was — Harrebomée heeft het gezegde dus twee eeuwen later simpelweg gedocumenteerd met verwijzing naar zijn oudste vindplaatsen, zoals hij bij vrijwel elk lemma in zijn spreekwoordenboek deed.
Groote heeren (of: Koningen) hebben lange handen (of: armen).

“Grote heren (of: koningen) hebben lange handen (of: armen)” betekent dat machtigen en gezagsdragers hun invloed ver kunnen laten reiken — ook buiten hun directe bereik of gebied kunnen ze nog ingrijpen, straffen of iemand opsporen. Vergelijkbaar met het Griekse μακραὶ τυράννων χεῖρες (“heersershanden reiken ver”). Het beeld:
hoe groter iemands macht, hoe verder zijn “arm” reikt, letterlijk of figuurlijk (via ambtenaren, leger, spionnen, wetten enzovoort).
Oorsprong:
De uitdrukking gaat terug op de Romeinse dichter Ovidius (43 v.Chr. – 17/18 n.Chr.), in zijn werk “Heroides” (Brievenboek van heldinnen), brief XVII, regel 166, waar Helena aan Paris schrijft:
> “An nescis longas regibus esse manus?”
— “Of wist je niet dat koningen lange armen hebben?”
De context:
Helena’s echtgenoot Menelaos is weliswaar afwezig, maar zij waarschuwt Paris dat dit niet betekent dat alles geoorloofd is — want zelfs op afstand kunnen koningen nog grijpen.
Verspreiding in de vroegmoderne tijd:
Het gezegde werd in de 16e eeuw opgenomen in de invloedrijke “Adagia” van Erasmus, en vandaar verspreidde het zich door heel Europa in de volkstaal. Zo is het te vinden bij:
– Engelse auteurs als John Lyly (“Euphues”, 1578): “Kinges haue long armes, and rulers large reches”
– En het bleef eeuwenlang in omloop, tot in de 20e eeuw toe.
De Nederlandse bron:
Harrebomée’s “Spreekwoordenboek der Nederlandsche taal” (19e eeuw) bevestigt dat het gezegde ook stevig in het Nederlands was ingeburgerd, met oudere Nederlandse attestaties bij:
– Tuinman:
(“De oorsprong en uitlegging van dagelijks gebruikte Nederduitsche spreekwoorden”, deel I, 18e eeuw)
– Witsen:
– en het werk “Idinau”
Een specifieke individuele “auteur” van het Nederlandse gezegde is er dus niet — het is een eeuwenoud, via het Latijn (Ovidius) en Erasmus’ “Adagia” in de Europese volkstaal doorgesijpeld gezegde, dat in het Nederlands via genoemde 17e-19e-eeuwse spreekwoordenverzamelaars is vastgelegd.
De een moet dikwijls een’ arm of een been breken, om den nek van zijn’ buurman te sparen.

Dit spreekwoord, geschreven in een oudere vorm van het Nederlands, draagt een diepe en vaak wat cynische waarheid over menselijke interacties en opoffering:
– Zelfopoffering voor anderen:
Het betekent dat iemand soms aanzienlijke persoonlijke schade, pijn of verlies (het breken van een arm of been) moet incasseren om te voorkomen dat een ander nog veel groter onheil treft (het breken van de nek).
– Onbedoelde gevolgen:
Soms ontstaat de situatie waarin de ene persoon onbedoeld de dupe wordt van de acties of de situatie van een ander, maar door die schade te accepteren, wordt erger voorkomen voor die ander.
– Het mindere kwaad:
Het illustreert ook de situatie waarin men moet kiezen tussen twee kwaden, en waarbij de opoffering van het kleinere deel (arm/been) de voorkeur heeft boven het verlies van het grotere geheel (de nek/het leven) van iemand anders.
Het benadrukt vaak dat we, soms ongevraagd, een hoge prijs betalen om de val van een ander te breken.
🏛️ Oorsprong en Auteur:
Auteur: P. J. Harrebomée
Bron: “Spreekwoordenboek der Nederlandsche taal” (1858-1870)
P. J. Harrebomée was een Nederlandse leraar en taalkundige, bekend om zijn monumentale verzameling van Nederlandse spreekwoorden. Zijn werk is een van de meest uitgebreide en geciteerde bronnen voor historische Nederlandse spreekwoorden. Hoewel Harrebomée de verzamelaar is, is het spreekwoord zelf waarschijnlijk ouder en voortgekomen uit de volksmond, voordat hij het vastlegde. De taalvorm (“een'”, “den”) duidt op de 19e-eeuwse oorsprong van deze specifieke notatie.
De peer is nog niet rijp.

Het gezegde “De peer is nog niet rijp” betekent dat iets nog niet voltooid is, of dat de tijd nog niet rijp is voor een bepaalde actie of beslissing. Het wordt vaak gebruikt om aan te geven dat een situatie nog in ontwikkeling is en dat het beter is om te wachten tot alles klaar is.
Oorsprong:
Dit gezegde heeft zijn oorsprong in de ‘landbouw en fruitteelt”. Een onrijpe peer is hard, zuur en niet lekker om te eten. Pas als de peer rijp is, wordt hij zacht, zoet en sappig. Deze metafoor wordt overgebracht op menselijke situaties: net zoals je moet wachten tot een peer rijp is om hem te eten, moet je soms wachten tot een situatie of plan volledig ontwikkeld is voordat je actie onderneemt.
Auteur:
Er is geen specifieke auteur bekend van dit gezegde. Het is een volksuitdrukking die door de eeuwen heen is ontstaan en doorgegeven. Het is een onderdeel van de rijke traditie van spreekwoorden en gezegden in de Nederlandse taal.
Bron:
De informatie is gebaseerd op het Prisma Spreekwoordenboek, samengesteld door G.A. Mesters. Dit boek is een betrouwbare bron voor de betekenis en oorsprong van Nederlandse spreekwoorden en gezegden.
Zoete peren en jonge vrouwen kunnen niet duren.

Dit gezegde suggereert dat zowel zoete peren als jonge vrouwen een beperkte periode van bloei en aantrekkelijkheid hebben, vergelijkbaar met de vergankelijkheid van de jeugd en de beperkte houdbaarheid van fruit. Het benadrukt de vergankelijkheid van schoonheid en vitaliteit.
Oorsprong en Auteur:
Helaas is de exacte oorsprong en auteur van dit specifieke gezegde niet met zekerheid vast te stellen. Het lijkt een volkswijsheid te zijn die in de loop der tijd is ontstaan, mogelijk beïnvloed door vergelijkbare uitdrukkingen in andere talen of culturen.
Eene rijpe peer valt ligtelijk in den drek, en wordt van de slakken gegeten.

“De rijpste peren eten de slekken” hoort bij een familie van oudere perengezegden die de rijpe/mooie peer gebruiken als beeld voor iets waardevols of aantrekkelijks — vaak met een moraliserende ondertoon. De strekking:
Juist het beste, mooiste of meest gerijpte wordt niet door de verdienstelijksten genoten, maar valt ten prooi aan de minsten (slakken, in letterlijke zin schadelijke, laagbij-de-grondse dieren). Overdrachtelijk wordt dit meestal gelezen als:
‘De mooiste/beste dingen — of mensen — vallen vaak toe aan wie ze het minst verdienen’, vergelijkbaar met het naastliggende gezegde in dezelfde lijst:
“Een rijpe peer valt dikwijls in de drek” (het goede eindigt soms in het slechte).
Het motief van de peer als beeld voor een “rijpe” vrouw of aantrekkelijke gelegenheid komt vaker voor in oudere Nederlandse spreekwoordenverzamelingen (zie ook “zoete peren en jonge vrouwen kunnen niet duren” in dezelfde lijst), dus sommige bronnen plaatsen dit gezegde ook in die amoureuze/moraliserende sfeer:
‘Het mooiste/aantrekkelijkste wordt bedorven of ingepikt door de verkeerde.’
Oorsprong:
Een specifieke, gedocumenteerde ontstaansgeschiedenis (wie het zei, wanneer het voor het eerst werd opgetekend) kon ik niet vinden — dit is typisch voor dit soort ‘volks-/boerenspreekwoorden’:
Ze zijn ‘mondeling overgeleverd’ en pas later in verzamelingen zoals die van Mesters vastgelegd, zonder herleidbare bron. Het gezegde staat wel vermeld in oudere thematische lijsten met perengezegden naast spreuken als:
“als de peer rijp is, valt zij” en
“Een appelboom kan geen peren voortbrengen”,
wat erop wijst dat het deel uitmaakt van een bredere, agrarisch geïnspireerde spreekwoordentraditie rond vruchten en rijping.
Auteur:
G.A. Mesters is een pseudoniem van de Nederlandse taalkundige P.N. Dezaire.
Onder deze schuilnaam publiceerde hij bij uitgeverij Het Spectrum (Utrecht/Antwerpen) diverse spreekwoordenverzamelingen, waaronder “Spreekwoorden Nederlands”, later herdrukt als “Prisma Spreekwoordenboek: (10e druk 1975, 20e druk 2002). Daarnaast schreef hij onder eigen naam werk over taalverzorging en poëtica.
De kinderen hebben last van het appelmannetje.

“De kinderen hebben last van het appelmannetje” is een ouder, schertsend gezegde voor:
> ‘De kinderen hebben buikpijn of zijn ongesteld doordat zij te veel — vaak onrijpe — appels hebben gegeten.’
Het ‘appelmannetje’ is geen werkelijk figuur, maar een speelse personificatie van de buikpijn of darmklachten die aan het eten van appels werden toegeschreven.
🕰️ Oorsprong:
– Het gezegde stamt vermoedelijk uit een tijd waarin kinderen zelf appels plukten uit boomgaarden en daarbij geregeld te veel of nog onrijp fruit aten.
– Buikpijn werd voor kinderen aanschouwelijk voorgesteld als het werk van een geheimzinnig “appelmannetje”.
– Een precieze eerste vindplaats of historische bedenker is niet bekend. Het gaat waarschijnlijk om een ‘anonieme volkse uitdrukking’, mogelijk met een regionale of dialectische achtergrond.
– De uitleg van de oorsprong is daarom vooral etymologisch aannemelijk; een concrete historische ontstaansgeschiedenis is niet overgeleverd.
✍️ Auteur en bron:
G.A. Mesters is de samensteller/auteur van het “Prisma Spreekwoordenboek” waarin de uitdrukking is opgenomen. Hij is echter ‘niet noodzakelijk de bedenker van het gezegde’.
– Bronvermelding:
G.A. Mesters, “Prisma Spreekwoordenboek”
– Auteur van het gezegde:
‘onbekend; vermoedelijk ontstaan in de mondelinge volkstaal’
– Lexicograaf/samensteller:
G.A. Mesters
Het appelmannetje komt om zijn geld.

“Het appelmannetje komt om zijn geld” (ook: “de appelman komt om zijn geld”) is een oude Vlaamse/Nederlandse zegswijze. Ze wordt letterlijk gebruikt tegen kinderen die ziek worden — meestal buikpijn krijgen — omdat ze te veel (vaak nog onrijp) fruit hebben gegeten. Het beeld:
de appelverkoper (“appelman”) komt uiteindelijk toch zijn geld halen, ook al heb je al zijn appels stiekem of gulzig opgegeten — je “betaalt” alsnog, in dit geval met een buikpijn in plaats van met geld. Halma omschrijft de betekenis als een spreekwoord dat gebruikelijk is tegen degenen die in het najaar ziek worden, omdat ze te veel vruchten hebben gegeten.
Figuurlijk wordt de uitdrukking ook breder gebruikt: als waarschuwing aan mensen die te veel plezier maken, boven hun stand leven of van alles teveel nemen — uiteindelijk komt de rekening altijd. Het gezegde is in Noord-Nederland zeldzaam, maar in Zuid-Nederland (Vlaanderen) nog vrij regelmatig te horen, en wordt gezegd tegen jongens die ziek zijn nadat ze te veel onrijp fruit hebben gegeten.
Er bestaat ook een alternatieve, minder algemeen aanvaarde verklaring:
volgens sommigen is het ‘appelmannetje’ het wormpje dat binnen in de appel zit, de vrucht wormstekig maakt en ervoor zorgt dat die onrijp afvalt — in die lezing “komt het wormpje om zijn deel”, wat ook tot ziekte/buikpijn zou leiden bij wie zo’n appel opeet.
Oorsprong en auteur:
Er is geen eenduidige “auteur” — het is een volks spreekwoord, mondeling overgeleverd. De oudste schriftelijke vindplaats die steeds wordt aangehaald is Carolus Tuinman, in “De oorsprong en uitleg van dagelyks gebruikte Nederduitsche spreekwoorden” (deel I, 1726), waar hij schrijft: “Het appelmannetje komt op zyn geld. Wat dit zeggen wil, leeren de onmaatige ooftsnoepers best door de ondervinding.” Daarna duikt het gezegde op bij o.a. Halma (woordenboek, 18e eeuw), J.P. Sprenger van Eijk (1835), P.J. Harrebomée (Spreekwoordenboek der Nederlandsche taal, 1858–1862) en Guido Gezelle (Loquela, 1907), die in zijn West-Vlaamse woordenverzameling meerdere gebruiksvoorbeelden gaf.
De overige verwijzingen (Harrebomée, Tuinman, Martinet, Euphonia, v. Eijk, Modderman, v. Sandwijk) zijn stuk voor stuk 18e- en 19e-eeuwse spreekwoordenverzamelingen die het gezegde optekenden — geen van hen is de “bedenker” ervan, ze documenteerden een reeds bestaand volksgezegde.
Een appel die bedorven is, schendt al wat in de korven is.

‘Één slecht persoon in een groep kan de hele groep schaden of besmetten’.
Net zoals een rotte appel in een mand de andere appels aantast, kan het wangedrag van één individu de reputatie of goede zeden van een heel gezelschap aantasten. Het is de Nederlandse tegenhanger van het Engelse “one bad apple spoils the bunch” en het Duitse “Ein fauler Apfel verdirbt den ganzen Korb.”
Interessant genoeg berust het beeld niet op bijgeloof, maar op een reëel natuurverschijnsel: rijpend en rottend fruit produceert ethyleengas, dat het rijpingsproces van nabijgelegen fruit versnelt.
Dit spreekwoord komt niet uit een oude legende of een bijgeloof:
Hij is volledig gegrond in een natuurverschijnsel, want fruit produceert ethyleengas, een katalysator voor het rijpproces. Eén rottende appel in de mand zorgt er dus letterlijk voor dat de andere appels sneller bederven.
Oorsprong en auteur:
Dit is een ‘volksspreekwoord zonder één specifieke auteur’ — het Prisma Spreekwoordenboek van G.A. Mesters registreert het als bestaand gezegde, maar heeft het niet zelf bedacht. De oudste vindplaatsen zijn te herleiden tot:
– Jacob Cats (1577–1660), de bekende Nederlandse dichter en moralist, gebruikte de variant al in zijn werk “Spiegel van den ouden ende nieuwen tyt” (Cats I, 408: “Een ro…”). Dit maakt het een 17e-eeuws (of ouder) gezegde.
– Nog oudere Middelnederlandse bronnen kennen vergelijkbare formuleringen, zoals in de “Consciëntie Somme”:
“Een verrotte appel onder ganse appelen verderft die ander appelen, is hi langhe daer onder.”
– Het beeld is zelfs klassiek:
de Romeinse dichter “Juvenalis” gebruikte een vergelijkbare metafoor met varkens in plaats van appels, en er bestaat ook een Latijnse variant: “pomum compunctum cito corrumpit sibi junctum” (“een geraakte appel bederft snel de appel die ernaast ligt”).
Kortom:
Het is een eeuwenoud, internationaal verspreid spreekwoord dat via de volksmond en schrijvers als Jacob Cats is overgeleverd, en dat het Prisma Spreekwoordenboek simpelweg heeft vastgelegd.
De woorden zijn als kersen: het eene trekt het andere.

Zodra iemand begint te praten, lokt het ene woord vanzelf het volgende uit.
Een gesprek kan daardoor steeds verder uitdijen. De uitdrukking kan ook waarschuwend worden gebruikt: wie eenmaal iets vertelt, onthult gemakkelijk méér dan oorspronkelijk de bedoeling was. Het beeld verwijst naar kersen waarvan de steeltjes door elkaar zitten:
wanneer je één kers oppakt, trek je vaak andere mee.
In modern Nederlands:
> ‘Woorden zijn als kersen: het ene woord brengt het andere voort.’
📜 Oorsprong:
– Het is een ‘oud volksspreekwoord’ uit de mondelinge overlevering.
– Vergelijkbare gezegden bestaan in meerdere Europese talen, zodat een precieze eerste oorsprong niet meer is vast te stellen.
– Harrebomée verwijst met “Sel. Prov., bl. 167″ naar een oudere verzameling van geselecteerde spreekwoorden, op bladzijde 167. Hij presenteert het gezegde dus als reeds bestaand materiaal.
– De spelling “eene” is de negentiende-eeuwse schrijfwijze van “ene”.
👤 Auteur:
Pieter Jacob Harrebomée (1809–1880) is niet de oorspronkelijke bedenker. Hij was de verzamelaar en samensteller van het monumentale “Spreekwoordenboek der Nederlandsche taal”.
De meest correcte auteursvermelding is daarom:
– Auteur: anoniem / volksoverlevering
– Opgetekend door: P.J. Harrebomée
– Bron: “Spreekwoordenboek der Nederlandsche taal”, met verwijzing naar ‘Sel. Prov.’, blz. 167
Eet kersen, als ze u geboden worden.

De betekenis van dit gezegde is eenvoudig maar krachtig:
– Pak je kansen:
Als er zich een goede gelegenheid of een gunstig aanbod voordoet, moet je die met beide handen aangrijpen.
– Wees niet kieskeurig:
Het is een herinnering om niet te lang te twijfelen of kritisch te zijn als iemand je iets goeds aanbiedt.
– Geniet van het moment:
Kersen zijn een seizoensgebonden lekkernij. Het gezegde suggereert dat je van de mooie dingen moet genieten wanneer ze beschikbaar zijn, omdat ze misschien niet lang duren.
Oorsprong:
De oorsprong van dit spreekwoord ligt in de eenvoudige, agrarische samenleving van vroeger.
– De aard van kersen:
Kersen zijn slechts een korte periode per jaar rijp en beschikbaar. Ze zijn een luxe die niet altijd voorhanden is.
– Een zeldzaam aanbod:
Iemand die kersen aanbood, deelde iets bijzonders en kostbaars. Het was een gebaar van vrijgevigheid dat niet lichtvaardig mocht worden afgeslagen.
– Praktische wijsheid:
In een tijd waarin voedsel niet altijd overvloedig was, was het aanbieden van kersen een aanzienlijk geschenk. Het weigeren ervan werd gezien als onverstandig en ondankbaar.
Auteur: P.J. Harrebomée (1803-1880) was een Nederlandse taalkundige en spreekwoordenverzamelaar.
Het Werk:
Zijn bekendste werk is het “Spreekwoordenboek der Nederlandsche taal,” dat in de 19e eeuw werd gepubliceerd. Het is een monumentale verzameling van duizenden Nederlandse spreekwoorden, spreekwijzen en gezegden, vaak voorzien van historische context en uitleg.
– Betekenis:
Harrebomée documenteerde niet alleen de spreekwoorden, maar hielp ook om hun betekenis en gebruik voor toekomstige generaties te bewaren. “Eet kersen, als ze u geboden worden” is een perfect voorbeeld van de volkswijsheid die hij vastlegde.
Zeg eens pruim, en houd den mond digt.

De letterlijke betekenis is:
“Probeer het woord ‘pruim’ uit te spreken, maar houd je mond daarbij gesloten.”
Dit is natuurlijk fysiek onmogelijk. Om de klank “pruim” te vormen, moeten de lippen bewegen en de mond opengaan. De figuurlijke betekenis is dan ook:
– Iemand een opdracht geven die niet kan worden uitgevoerd.
– Een situatie waarin tegenstrijdige eisen worden gesteld.
– Het benadrukken van de onmogelijkheid van een bepaalde actie.
Het wordt vaak gebruikt als een spottende of ironische opmerking wanneer iemand iets onrealistisch verwacht.
🕰️ Oorsprong en Auteur:
De exacte oorsprong en auteur van dit specifieke gezegde zijn niet met zekerheid bekend. Het is een volksuitdrukking die al eeuwenlang in het Nederlands taalgebied circuleert.
Het idee van een onmogelijke verbale taak is echter niet uniek voor dit gezegde. Vergelijkbare concepten komen voor in andere talen en culturen, vaak als raadsels of tongbrekers. Het gezegde “Zeg eens pruim, en houd den mond digt” is een typisch voorbeeld van Nederlandse volkswijsheid en humor, waarbij de absurditeit van een situatie wordt vergroot door een onmogelijke fysieke handeling te eisen.
Hoewel we geen specifieke auteur kunnen aanwijzen, is het gezegde diep geworteld in de Nederlandse taal en cultuur.
Pruimen Doen ruimen.

Het gezegde betekent simpelweg dat het eten van pruimen (met name gedroogde pruimen of pruimensap) een laxerende werking heeft. Het ‘ruimt’ de darmen op. Het wordt vaak gebruikt als een ietwat eufemistische of humoristische manier om deze specifieke spijsverteringseigenschap aan te duiden.
Oorsprong:
De oorsprong ligt in de ‘volkswijsheid en observatie’. Pruimen bevatten van nature veel vezels en sorbitol, een suikeralcohol die water in de darmen trekt, wat de stoelgang bevordert. De uitdrukking is een rijmpje dat deze eigenschap gemakkelijk te onthouden maakt (“Pruimen” rijmt op “ruimen”).
Auteur:
Zoals bij de meeste volksgezegden, is er ‘geen specifieke auteur’ aan te wijzen. Het is een uitdrukking die organisch in de taal is ontstaan en door de eeuwen heen is doorgegeven.
De bronvermelding (P. J. Harrebomée – ‘Spreekwoordenboek der Nederlandse taal’) bevestigt de opname ervan in de canon van Nederlandse spreekwoorden, maar Harrebomée is de ‘verzamelaar’, niet de auteur van het gezegde zelf.
Dat is er een zonder steen, zei de bagijn (of: de duivel), en zij (hij) slikte eene slak door voor eene pruim.

Dit gezegde wordt gebruikt om een situatie te beschrijven waarin iemand ‘een ernstige vergissing maakt door naïviteit, onoplettendheid of domheid’.
Het benadrukt het contrast tussen de verwachting en de werkelijkheid:
– De verwachting:
Een zoete, lekkere pruim (zonder steen/pit).
– De werkelijkheid:
Een slijmerige, onsmakelijke naaktslak.
De spreker in het gezegde (de bagijn of de duivel) probeert een fout of een slechte ervaring te rationaliseren of goed te praten (“Het heeft geen pit, dus het is goed”), maar de werkelijkheid is dat ze iets walgelijks hebben gedaan of geaccepteerd. Het is een waarschuwing tegen zelfbedrog en het blindelings accepteren van dingen zonder ze goed te inspecteren.
📚 Oorsprong en Context:
De bron is:
P. J. Harrebomée:
– “Spreekwoordenboek der Nederlandse taal”.
Dit monumentale werk, gepubliceerd in het midden van de 19e eeuw, verzamelde duizenden Nederlandse spreekwoorden en hun varianten.
– Varianten:
Het gezegde kent varianten. De keuze tussen “bagijn” (een lid van een religieuze gemeenschap voor vrouwen) en “de duivel” beïnvloedt de toon. Een bagijn die dit zegt, suggereert misschien een komische vorm van onschuld of wereldvreemdheid. Als de duivel het zegt, kan het wijzen op een actievere vorm van zelfbedrog of een poging om anderen te misleiden over de aard van de zonde of het kwaad.
– Historische Context:
Het gebruik van “slak” en “pruim” als contrast is een krachtig visueel en tactiel beeld dat diep geworteld is in de volkstaal. Het is een herkenbare, alledaagse blunder.
✍️ Auteur:
De specifieke auteur van de oorspronkelijke spreuk is ‘onbekend’.
Spreekwoorden en gezegden zijn vaak het resultaat van ‘volkswijsheid’ die zich over eeuwen ontwikkelt en mondeling wordt overgedragen voordat ze worden opgetekend in collecties zoals die van Harrebomée. P. J. Harrebomée zelf was de ‘verzamelaar’ en ‘lexicograaf’, niet de bedenker van het gezegde.
Werp den knuppel weg, want de peren zijn rijp.

In modern Nederlands:
> „Leg de stok maar weg; de peren zijn rijp en vallen vanzelf.”
Letterlijk werden peren met een stok of knuppel uit de boom geslagen. Wanneer ze volledig rijp waren, was dat niet meer nodig: ze lieten vanzelf los.
Figuurlijk betekent het:
– gebruik geen dwang of geweld wanneer iets vanzelf tot stand kan komen;
– forceer een zaak niet als de omstandigheden er al rijp voor zijn;
– stop met aandringen zodra het gewenste resultaat binnen bereik is.
Een passende moderne omschrijving is:
> „De tijd is rijp; verder forceren is overbodig.”
🌳 Oorsprong:
Het gezegde is ontstaan uit de vroegere fruitteelt. Onrijpe of moeilijk bereikbare peren werden met een lange stok uit de boom geslagen. Bij rijpe vruchten was dit niet nodig en kon slaan ze zelfs beschadigen.
De beeldspraak sluit aan bij nog steeds gebruikte uitdrukkingen als:
– „De tijd is rijp.”
– „Iets niet forceren.”
– „De vrucht valt wanneer zij rijp is.”
✍️ Auteur en bron:
Er is ‘geen aantoonbare individuele auteur’ van dit gezegde. Zoals bij de meeste oude spreekwoorden gaat het waarschijnlijk om mondeling overgeleverde volkswijsheid.
De bronvermelding moet als volgt worden gelezen:
– P.J. Harrebomée (1809–1880) heeft het gezegde opgenomen in zijn “Spreekwoordenboek der Nederlandsche taal”.
– Hij is dus de ‘verzamelaar en samensteller’, niet noodzakelijk de bedenker.
– Met „Zoet, bl. 15” verwijst Harrebomée naar een oudere vindplaats bij de zeventiende-eeuwse Amsterdamse dichter en schrijver Jan Zoet (1609–1674), op bladzijde 15 van de door hem geraadpleegde uitgave.
Ook Jan Zoet hoeft niet de oorspronkelijke bedenker te zijn: zijn tekst is vooral een ‘oude schriftelijke vindplaats’ van een waarschijnlijk al bestaand gezegde.
Rijd op met je gebakken peren.

Dit gezegde wordt gebruikt om iemand op een nogal botte manier te vertellen dat ze moeten stoppen met zeuren of klagen, en dat ze moeten accepteren dat ze zelf verantwoordelijk zijn voor de problemen waarin ze zich bevinden. Het suggereert dat de persoon ‘de peren heeft gebakken’ (de situatie heeft veroorzaakt) en nu ‘moet oprijden’ (de gevolgen moet dragen).
Oorsprong:
De exacte oorsprong van dit gezegde is onduidelijk. Het is waarschijnlijk ontstaan in de 19e eeuw. “Oprijden” in deze context betekent waarschijnlijk “verdergaan” of “doorgaan”. De “gebakken peren” zijn een metafoor voor de zelfveroorzaakte problemen.
Auteur:
Dit gezegde is een ‘volksuitdrukking en heeft geen specifieke auteur’.
Heren en peren rotten.

Dit gezegde betekent dat zelfs mensen met macht, rijkdom of een hoge sociale status (de “heren”) uiteindelijk net zo sterfelijk zijn en vergaan als gewone mensen en vergankelijke zaken (de “peren”). Het relativeert de menselijke hoogmoed en herinnert ons eraan dat de dood voor iedereen gelijk is.
Oorsprong:
De uitdrukking is al eeuwenoud en stamt waarschijnlijk uit de late middeleeuwen of de vroege renaissance. Het is een volksgezegde dat de vergankelijkheid van het leven en de gelijkheid in de dood benadrukt, een thema dat vaak voorkwam in de kunst en literatuur van die tijd (denk aan de ‘Dodendans’). De vergelijking tussen mensen en fruit (peren) die beide rotten, maakt de boodschap tastbaar en universeel.
Auteur:
Zoals bij de meeste oude spreekwoorden en gezegden, is er geen specifieke auteur bekend. Het is ontstaan in de volksmond en door de eeuwen heen doorgegeven. G.A. Mesters, de samensteller van het “Prisma Spreekwoordenboek”, is de bron waar je het hebt gevonden, maar hij is niet de auteur van het gezegde zelf.
Die met zijn heer peren eet, kiest de schoonste niet.

Dit is een vrij ouderwets, weinig gebruikt spreekwoord.
Letterlijk:
“Wie met zijn heer peren eet, kiest niet de mooiste (het beste stuk).”
Het beeld is dat van een maaltijd waarbij een ondergeschikte samen met zijn heer/meester uit dezelfde schaal eet. Beleefdheid en de sociale rangorde vereisen dat je dan niet de beste peer voor jezelf pakt — die eer of dat voorrecht is aan de meerdere. Overdrachtelijk betekent het spreekwoord dus: wie samen met iemand van hogere rang of status iets deelt, moet zich bescheiden opstellen en niet het beste voor zichzelf claimen. Het gaat om weten wat je plaats is tegenover een meerdere — niet je gelijke stellen aan, of je vrijheden veroorloven tegenover, iemand die boven je staat.
Oorsprong:
Het spreekwoord is aanzienlijk ouder dan het Prisma Spreekwoordenboek van Mesters. Ik vond het al opgenomen in het negentiende-eeuwse standaardwerk “Spreekwoordenboek der Nederlandsche taal” van P.J. Harrebomée (rond 1858–1870), waar het genoteerd staat als:
“Die met zijnen heer peren eet, kiest de schoonste niet”,
met een Duitse equivalent-vermelding erbij. Harrebomée verzamelde op zijn beurt spreekwoorden uit oudere bronnen en verzamelingen (17e-eeuwse spreekwoordenboeken, Cats, Servilius, Sartorius e.d. worden in zijn werk vaak als bron genoemd), dus de uitdrukking zelf gaat vermoedelijk terug tot de 16e of 17e eeuw, uit de traditie van spreekwoorden over hoffelijkheid, standsverschil en tafeletiquette — een thema dat in die tijd veel voorkwam (denk aan de spreekwoordencultuur rond Bruegel en tijdgenoten).
Auteur:
Zoals bij vrijwel alle spreekwoorden is er geen individuele auteur aan te wijzen; het is volksgoed dat mondeling is overgeleverd en pas later door lexicografen is vastgelegd. G.A. Mesters is de samensteller van het moderne “Prisma Spreekwoordenboek”, waarin hij dit (en duizenden andere) spreekwoorden heeft opgenomen op basis van oudere bronnenverzamelingen zoals die van Harrebomée — hij is dus de bron waar u het las, maar niet de “bedenker” van het gezegde.
Twee appelen met éénen stok afwerpen.

Dit gezegde is de klassieke Nederlandse variant van de meer bekende uitdrukking: “Twee vliegen in één klap slaan.”
Het betekent dat men met één enkele handeling of inspanning twee verschillende doelen tegelijkertijd bereikt, of twee voordelen tegelijkertijd behaalt. Het benadrukt efficiëntie en slim handelen.
🌱 Oorsprong en Auteur:
De door opgegeven bron is correct:
Bron: P. J. Harrebomée – “Spreekwoordenboek der Nederlandsche taal”
– Locatie: Zegerus 3e druk, bladzijde 66.
P. J. Harrebomée (Pieter Jacob Harrebomée, 1809–1888) was een belangrijke Nederlandse taalkundige en spreekwoordenverzamelaar. Zijn monumentale werk, het “Spreekwoordenboek der Nederlandsche taal” (gepubliceerd tussen 1858 en 1870), is een van de meest uitgebreide verzamelingen van Nederlandse spreekwoorden en zegswijzen ooit gemaakt.
‘De Specifieke Verwijzing’:
De vermelding “Zegerus” verwijst naar een oudere verzameling of auteur waaruit Harrebomée putte. In dit geval is het waarschijnlijk een verwijzing naar de “Proverbia Communia” (Gemeenlijke Spreekwoorden), een zeer oude verzameling spreekwoorden die vaak wordt toegeschreven aan Zegerus (of Zegerus van Hontshote), een 16e-eeuwse humanist. De uitdrukking zelf is dus veel ouder dan Harrebomée’s boek en stamt uit de bloeitijd van de Nederlandse spreekwoordencultuur in de 15e of 16e eeuw.
Een schone vrouw is een lastige appel om te plukken.

> ‘Een mooie vrouw is doorgaans moeilijk te veroveren of tot huwelijkspartner te krijgen.’
De gedachte is dat een aantrekkelijke vrouw veel bewonderaars heeft, kieskeurig kan zijn of niet gemakkelijk het hof te maken is.
– ‘schone vrouw’ = mooie vrouw; ‘schoon’ heeft hier de oudere betekenis „mooi”
– ‘appel plukken’ = iemand voor zich winnen of als partner verkrijgen
– ‘lastig’ = moeilijk, niet eenvoudig
Het gezegde weerspiegelt een ouder, enigszins objectiverend vrouwbeeld: de vrouw wordt voorgesteld als een begeerlijke vrucht die een man probeert te „plukken”.
🌳 Oorsprong:
Het gezegde berust op een oude beeldspraak waarin een geliefde of huwelijkspartner met een ‘vrucht’ wordt vergeleken. De appel staat daarbij voor iets aantrekkelijks en begeerlijks; het plukken voor het verwerven of veroveren ervan.
De precieze bedenker en eerste vindplaats zijn niet met zekerheid bekend. Het betreft waarschijnlijk een traditioneel Nederlands spreekwoord dat al vóór de opname in moderne spreekwoordenboeken mondeling en schriftelijk circuleerde.
✍️ Auteur:
G.A. Mesters is niet noodzakelijk de auteur van het gezegde. Hij is de samensteller/auteur van het “Prisma Spreekwoordenboek” waarin het is opgenomen. Bij traditionele spreekwoorden is de oorspronkelijke maker doorgaans onbekend.
Schoone appelen zijn ook wel zuur.

Dit gezegde, “Schoone appelen zijn ook wel zuur,” is een prachtige, metaforische manier om een belangrijke levensles te verwoorden.
– De Kernboodschap:
Uiterlijke schoonheid of een aantrekkelijk voorkomen is geen garantie voor innerlijke goedheid, kwaliteit of een aangenaam karakter.
– Wat het Betekent in de Praktijk:
Net zoals een perfect uitziende, glanzende appel van binnen onverwacht zuur kan smaken, zo kan een persoon of situatie die er op het eerste gezicht fantastisch uitziet, in werkelijkheid tegenvallen, bedrieglijk zijn, of een moeilijk karakter verbergen.
– De Waarschuwing:
Het is een waarschuwing tegen oppervlakkigheid en oordelen op basis van schijn alleen. Het herinnert ons eraan dat ware waarde vaak dieper ligt dan het uiterlijk.
Oorsprong en Auteur:
De bron wordt aangehaald:
P. J. Harrebomée’s monumentale werk “Spreekwoordenboek der Nederlandse taal,” is inderdaad de plek waar dit gezegde gedocumenteerd staat.
– P. J. Harrebomée:
Hij was een 19e-eeuwse Nederlandse taalkundige en lexicograaf. Zijn spreekwoordenboek is een van de meest uitgebreide en gerespecteerde verzamelingen van Nederlandse spreekwoorden en gezegden ooit gemaakt. Het is een onschatbare bron voor iedereen die geïnteresseerd is in de Nederlandse taal en cultuurgeschiedenis.
– De Bronverwijzingen:
Harrebomée was zeer grondig. De vermeldingen die wordt noemt, “Tuinman I. bl. 120.” en “v. Waesberge Wijn bl. 15,” zijn verwijzingen naar ‘nog oudere’ bronnen die hij raadpleegde. Dit geeft aan dat het gezegde al lang vóór zijn tijd in gebruik was. Het is een volksspreuk, ontstaan uit de observatie van het dagelijks leven en de natuur, en de auteur is daarom onbekend. Het is collectieve wijsheid die door de eeuwen heen is doorgegeven.
Men moet de appels niet plukken, voor dat ze rijp zijn.

– De letterlijke betekenis is duidelijk:
pluk appels niet voordat ze rijp zijn, want dan zijn ze zuur en onsmakelijk.
– De figuurlijke betekenis is veel breder:
men moet niet overhaast te werk gaan of te vroeg resultaten verwachten. Alles heeft zijn tijd nodig om te groeien, te ontwikkelen en volledig tot bloei te komen. Het maant aan tot geduld en het respecteren van het natuurlijke proces.
Oorsprong 🌿:
– Hoewel Harrebomée het spreekwoord heeft opgenomen in zijn omvangrijke verzameling, is de exacte oorsprong ervan moeilijk te herleiden tot één specifiek moment of persoon. Het is waarschijnlijk ontstaan uit de dagelijkse observaties van mensen in de landbouw en fruitteelt, waar het belang van timing bij het oogsten van cruciaal belang was. De wijsheid die in het spreekwoord schuilt, is universeel en werd waarschijnlijk al generaties lang mondeling doorgegeven voordat het werd opgetekend.
✍️ Auteur:
– Harrebomée zelf was geen auteur van spreekwoorden, maar een verzamelaar en documentalist. Hij wijdde zijn leven aan het verzamelen en verklaren van Nederlandse spreekwoorden en zegswijzen. Het spreekwoord “Men moet de appels niet plukken, voordat ze rijp zijn” is dus niet door hem bedacht, maar door hem vastgelegd als onderdeel van het rijke Nederlandse taalerfgoed.
Als het appeltje rijp is, valt het van zelf.

Het spreekwoord “Als het appeltje rijp is, valt het vanzelf” wordt gebruikt om aan te geven dat bepaalde dingen in het leven simpelweg hun tijd nodig hebben en niet geforceerd kunnen worden. Wanneer de omstandigheden gunstig zijn en de tijd rijp is, zullen gebeurtenissen op een natuurlijke manier plaatsvinden.
Oorsprong:
De oorsprong van dit gezegde ligt in de waarneming van de natuur. Een appel aan de boom groeit en rijpt totdat hij op een gegeven moment niet meer aan de tak kan blijven hangen en naar beneden valt. Dit beeld wordt metaforisch toegepast op menselijke situaties.
P. J. Harrebomée, een bekende Nederlandse spreekwoordenkenner, heeft dit gezegde opgenomen in zijn “Spreekwoordenboek der Nederlandsche taal”. De vermelding “Gruterus I. bl. 93” verwijst naar een nog oudere bron, de “Florilegium Ethico-Politicum” van Jan Gruter, een 17e-eeuwse geleerde.
Hoewel de ‘exacte auteur van het gezegde niet met zekerheid te achterhalen’ is, is het duidelijk dat het al eeuwenlang deel uitmaakt van de Nederlandse taal en cultuur. Het is een tijdloze waarheid die ons eraan herinnert dat geduld en vertrouwen in het natuurlijke verloop van de dingen soms de beste aanpak is.
De boom draagt voor zich zelven geene appelen.

Dat wat iemand voortbrengt of tot stand brengt, is vaak niet alleen voor hemzelf bestemd , maar vooral anderen ten goede komt.
Zoals een appelboom zijn eigen vruchten niet opeet, zo kunnen ook mensen:
– werken voor het welzijn van anderen;
– kennis, zorg of bezit doorgeven;
– iets opbouwen waarvan vooral toekomstige generaties profiteren;
– belangeloos bijdragen aan de samenleving.
Het gezegde benadrukt dus ‘onbaatzuchtigheid, dienstbaarheid en onderlinge afhankelijkheid’.
📜 Oorsprong en auteur:
– Het spreekwoord is opgenomen door Pieter Jacob Harrebomée (1809–1880) in zijn “Spreekwoordenboek der Nederlandsche taal”.
– Dit driedelige naslagwerk verscheen tussen 1858 en 1870.
– Harrebomée geldt als ‘verzamelaar en samensteller’, niet noodzakelijk als de bedenker van het gezegde.
– De oorspronkelijke auteur is ‘onbekend’. Het betreft waarschijnlijk een ouder spreekwoord uit de volksmond.
– De gedachte komt ook voor in oudere Europese en Latijnse wijsheidsliteratuur: een boom draagt zijn vruchten niet voor zichzelf. Een rechtstreeks aantoonbare afleiding uit één specifieke klassieke bron is echter niet zeker.
De historische spelling “zich zelven geene” komt in modern Nederlands overeen met:
> “De boom draagt voor zichzelf geen appels.”