Gaius Sallustius Crispus:
(1 oktober 86[1] – tussen 39 en 35 v.Chr.).
Romeins geschiedschrijver. Zijn belangrijkste werken zijn historische monografieën over de “Oorlog tegen Jugurtha” (Bellum Iugurthinum) en de “Samenzwering van Catilina” (De Coniuratione Catilinae). Antieke bronnen maken melding van zijn politiek engagement aan de zijde van de populares, maar ook van zijn morele falen in zijn persoonlijk en openbaar leven.
Sallustius was een belangrijk getuige van de geleidelijke ondergang van de Romeinse Republiek en van haar onmacht tegenover de ambities van krachtige persoonlijkheden als Marius en Sulla, Caesar en Pompeius.

Weinigen willen vrijheid, de meesten verlangen rechtvaardige heersers.

In de hoogste staat heeft men de minste vrijheid.

Je staat onder “permanente controle” (publiek, senaat, geschiedenis). Je kunt je minder “permitteren” (minder “licentia” = speelruimte). > Vrijheid wordt hier dus niet opgevat als “rechten”, maar als “handelingsvrijheid / speelruimte”. 🏛️ Oorsprong & context: Het gezegde wordt doorgaans teruggevoerd op Sallustius (‘Gaius Sallustius Crispus’), in zijn werk over de samenzwering van Catilina: “Bellum Catilinae” (ook: “De coniuratione Catilinae”). Context in het verhaal: debat in de Romeinse senaat over de straf voor de samenzweerders van Catilina (63 v.Chr.). Sallust laat o.a. Caesar en Cato spreken. ✍️ Auteur: wie “zei” het? Literaire auteur (bron): Sallustius (86–35 v.Chr.), Romeins historicus. Spreker binnen de tekst: het sentiment wordt vaak gekoppeld aan de “redevoering van Julius Caesar” in het senaatsdebat (Sallust geeft dit als historisch-literair weergegeven toespraak). > Dus: Sallust is de auteur die het overlevert; Caesar is doorgaans de “stem” waaraan het in de tekst hangt. 📜 Latijnse formulering (en waarom “51” niet het jaar is): De Nederlandse zin is een parafrase/vertaling van een Latijnse gedachte die vaak wordt geciteerd als: “In maxima fortuna minima licentia est.” (Letterlijk: “Bij het grootste geluk/hoogste positie is de minste vrijheid/speling.”). “51” slaat hier vrijwel zeker op hoofdstuk/paragraaf 51 van Sallust’ “Bellum Catilinae”, nietop het jaar 51 v.Chr. 🔎 Bronvermelding (hoe je het kunt citeren):
“Sallustius, Bellum Catilinae 51” (redevoering in het senaatsdebat; vaak verbonden met Caesar). Let op: in edities/vertalingen kan de “exacte Latijnse zin” of formulering licht verschillen (en soms wordt het als “sententia” samengevat i.p.v. woordelijk).
Omdat de goden goed zijn en alle dingen maken, is er geen positief kwaad, het komt alleen door afwezigheid van goed; net zoals duisternis zelf niet bestaat, maar alleen ontstaat door afwezigheid van licht.

Hetzelfde willen en hetzelfde niet willen, dat is echte vriendschap.
